donderdag 4 oktober 2007

Ego

Het is ruim voor acht uur als ik door de poort rij.
Alles is donker. Bijna alles, alleen op de eerste verdieping schijnt licht.
Een nog vroegere vogel of vergeten uit te doen?
Ik kan me niet herinneren dat ik ooit zo vroeg op school ben geweest en gelijktijdig vraag ik me af of ik wel naar binnen kan want een sleutel van de hoofdingang heb ik niet en ik heb weinig behoefte om helemaal om te lopen om daar door een deur, waar ik de sleutel wel van heb, naar binnen te gaan.
Ik kijk nog even om me heen maar in de parkeervakken voor het gebouw geen bekende auto's staan.
Toch neem ik de gok.
Met mijn handen vol loop ik voorzichtig op de glazen toegangsdeur af in de hoop dat die netjes voor mijn neus open zal schuiven.
Voorzichtig inderdaad want ik heb wel eens eerder iemand tegen zo'n deur aan zien lopen en daar heb ik absoluut geen behoefte aan.
Ik wandel door het donkere gebouw naar boven. Ik heb geen benul waar alle lichtknopjes zitten en als ik dat al wel gehad zou hebben zou ik er toch geen gebruik van hebben kunnen maken omdat ik beide handen tsjokvol heb.
Nadat ik de trap iets makkelijker heb genomen dat de voorgaande dagen loop ik De Roostermaker en De Labrador tegen het lijf. Een goedemorgen klinkt nagenoeg gelijk uit drie kelen en daar blijft het bij.
De twee verwijderen zich van mij en ik loop enigszins beduusd de koffiekamer binnen.
Geen woord hebben ze erover gerept.
Geen woord!
Nadat ik teleurgesteld mijn pak heb uitgetrokken en aan de kapstok heb gehangen neem ik een espresso in afwachting van de rest die mij ongetwijfeld zal gaan aanspreken.
Eén voor één druppelen de collega's binnen, groeten meer of minder vriendelijk, nemen koffie uit het apparaat en zoeken een plekje.
Ik hoor dat er her en der om mij heen en met mij gesproken wordt over koetjes en kalfjes maar niemand die zich direct met een specifieke opmerking of vraag tot mij wendt, iets wat ik wel degelijk had verwacht.
Langzaam nadert de klok het tijdstip van vijf voor half negen.
Ik hoor de zoemer.
De werkdag gaat nu echt beginnen.
Teleurgesteld sta ik op en pak mijn tas.
Niemand heeft een opmerking gemaakt over de uitnodiging voor de officiële boekprestentatie van mijn boek Game Over waarvoor iedereen gisteren van de uitgever een brief heeft ontvangen.
Net als ik op het punt sta om de gang in te lopen tikt er iemand op mijn schouder en zegt:
"Hé, schrijver!"
Ik draai me verheugd om en kijk naar Dood die me spontaan begint te overladen met vragen.
Veel tijd om te antwoorden heb ik niet omdat een klas op me staat te wachten. Dus ik geef hem in een notedop wat antwoorden en kijk hem dankbaar aan.
Mijn geknakte ego veert toch weer een stukje overeind. Dat geknakte ego zou nog voor het einde van de ochtend weer helemaal fier omhoog staan.
Waarschijnlijk waren de collega's op het vroege uur nog schijndood en daardoor niet in staat om met mij te communiceren over de uitnodiging die ze allen hadden gekregen.
In de uren daarna werd ik soms openlijk, soms stiekem maar altijd goedbedoeld overladen met complimenen, vragen, opmerkingen en vriendelijke bedoelingen.
Om iets na half twee loop ik fluitend naar buiten, start mijn motor en ga genieten van alle aandacht die ik heb mogen krijgen.
Nu maar hopen dat ze dezelfde aandacht ten toon spreiden op maandag 29 oktober als Game Over officiëel wordt gepresenteerd.
Maar tot die tijd kan mijn ego niet meer stuk.

Geen opmerkingen: